header.png
dinsdag 11 december 2018

Uitleg

Hejje Mojjer Natuurlijk

Dit zijn alle artikelen die ooit in het Hejs Nejs zijn geplaatst door Martha en Paul Toonen
Op verzoek staan ze nu ook op de site heijen.info
Door op een link te klikken kom je in het desbetreffende artikel.

Door hier te klikken kom je weer terug bij de artikelenlijst.
Door hier te klikken kom je weer terug bij de home pagina.

De kleine zonnedauw (Drosera intermedia)

69 heijen 01

 Geregeld lopen we een rondje Zevenmorgenziep. Dit mooie stukje natuur ligt op het terrein van Dichterbij (voormalige Maria Roepaan) en is in beheer van Limburgs Landschap maar vrij toegankelijk. Via de parkeerplaats bij Old Inn kun je een knooppuntenroute volgen waarbij je langs dit mooie ven komt. Rondom dit ven staat op diverse plekken een klein vleesetend plantje. Kleine zonnedauw. Het is zo klein dat je ervoor op je knieën moet om hem goed te kunnen bekijken. Of op je buik gaan liggen en er een mooie foto van maken.

Voorkomen

In Nederland komen 3 soorten uit het geslacht zonnedauw voor: Het zijn de soorten Drosera intermedia (kleine zonnedauw), Drosera rotundifolia (ronde zonnedauw) en Drosera Anglica (lange zonnedauw). De ronde zonnedauw is de algemeenste soort maar bij de Zevenmorgenziep staat alleen maar de kleine zonnedauw. De zonnedauw is te vinden op open, natte, zure, stikstofarme heide- en veengrond. De zeldzaamste soort is de lange zonnedauw, die meer eisen stelt aan het milieu dan de andere 2 soorten. Je vindt hem niet op heidevelden, maar alleen in venen met opstijgend mineraal houdend water.

Door ontwatering en bemesting hebben de zonnedauwpopulaties sterk te lijden. Om die reden worden deze soorten nu in Nederland beschermd. De Zonnedauw staat op de Nederlandse rode lijst planten. De geslachtsnaam Drosera is afkomstig van het Griekse ‘drosos’ dauw, omdat het vocht dat door de op het blad aanwezige kliertjes afgescheiden wordt, voor dauw werd aanzien. Van de drie Droserasoorten, is de rotundifolia, de rondbladige de meest voorkomende.

 69 heijen 02

Beschrijving

Uit de minimaal ontwikkelde wortels komt een wortelrozet. De bladeren (bladschijven) liggen eerst plat op de grond maar richten zich later op. De bladeren zijn omgekeerd eirond of spatelvormig met rode tentakels of haarklieren. De rode bladstengel is onbehaard. Zijdelings uit het rozet komen in juli tot augustus bloeistengels die aan de voet van het rozet gebogen zijn. De bloeistengel is dubbel zo lang als de bladsteel en de stengel met knoppen groeit opvallend hoog boven de plant uit. De bloemen zijn tweeslachtig en worden ongeveer 5 mm. De grote van een bloeiende kleine zonnedauw kan tot 10 cm hoog zijn. Zonder bloemen is de kleine zonnedauw gemiddeld 2 centimeter hoog. De bloem van de kleine zonnedauw is wit met meestal 5 kroonbladeren aan de stengel met gemiddeld 3 tot 8 witte bloemen. De bloei is echter van korte duur: niet langer dan een week. De gegroefde doosvrucht na de bloei is enigszins peervormig en bevat eironde zaden die verspreid worden door de wind.

Vleesetende plant

De kleine zonnedauw is een echte carnivoor (vleeseter). De druppels die lijken als dauwdruppels spelen een hoofdrol hierin. Het is een kleverig vocht dat zich als een druppel aan het einde van het klierhaartje of tentakel bevindt en wordt op het blad afgescheiden. Omdat het plantje zijn voedsel niet uit de grond kan halen doet hij dit door het vangen van insecten. Op een van de foto’s zie je dat het plantje twee waterjuffertjes heeft “gevangen”. Ze zitten als het ware vastgeplakt op het plantje en zullen het helaas niet overleven maar dienen tot voedsel voor het plantje. De klierharen vouwen zich over het insect en door het verteringsenzym uit deze klierharen wordt het verteerd. Dit gebeurt op dezelfde manier als het maagsap dat bij ons mensen het voedsel verteert. Zo krijgt de zonnedauw wel genoeg voeding binnen.

Geneeskrachtig

In de volksgeneeskunst werd het kruid gebruikt tegen hoest maar ook voor andere ziekten en kwalen aangeprezen. Het sap van de klierhaartjes werd soms gebruikt tegen wratten en eksterogen. Die bijtende eigenschap was ook al in de 15de eeuw bekend:

“Van buyten ghebruycct is dit cruydt seer scherp ende brandend ende maeckt blaeskens oft bleynen op de huyt”.

Ja ooit was dit Nederlands.

Fijne wandeling Martha en Paul